Behekst

Aande bodem van de mercado de las brujas, de heksenmarkt, is er maar éénweg open richting de verspreide kramen. Het straatje omhoog benauwt mijnlongen. Hoogteziekte. Een mengeling van de geur van menthol, goedkope parfums,urine, sterk ruikende kruiden en knoflook beneemt mij de adem verder.

Erzijn vooral veel wondermiddelen te koop op de markt, met sprookjesachtigeafbeeldingen die soms niet te begrijpen zijn, maar vaak ook niets te radenoverlaten. Zoals pakjes vruchtbaarheid, met afbeeldingen van een verdrietigemagere vrouw alleen, gevolgd door beelden van een stralend, goed gevuld gezin.Ook heksenviagra is alom aanwezig. Op die verpakkingen prijkt een man met eenerectie in XXL-formaat, terwijl Jezus hem vanaf de linkeronderzijde goedkeurendtoestraalt. Hekserij of niet, het blijven Gods akkers.

Mijnblikken op de verpakking wekken de belangstelling van de verkoopster. Eengerimpelde, donkere bruja, met zwarte kleding en ongezond ogendemoedervlekken in haar gezicht, begint in onwelriekend, indiscreet Spaans overde problemen van mijn man. Ze giechelt haar drie tanden bloot. Ik lach envertel haar dat mijn man in Nederland is. Ze kijkt me medelijdend aan en duwtme een flacon in handen. Een vrouw siert het etiket, met mannen in aanbiddingaan haar voeten. "Un regalo,” knipoogt de heks mij toe. Een cadeauvoor de vermeend afgewezen vreemdelinge. Wondervloeistof om achter mijn oren enop zijn kussen te deponeren.

Eindelijkzie ik haar, in een nauwe steeg. Mijn Israëlische vriendin en reisgezel zit, zoalsalleen zij dat kan, heerlijk thuis te zijn in een huiskamer gemaakt van krattenen jutezakken gevuld met kruiden. Ze drinkt thee en vraagt me erbij te komenzitten. De heks naast haar glimlacht goedkeurend en biedt ook mij een kop theeaan. Ik krijg een geel krat om op te zitten. De kruidenthee smaakt goed,ondanks een licht bittere nasmaak.

Naenkele minuten bloeit mijn borstkas open. Mijn longen zuigen volop gemistelucht. De markt begint te stralen. Carmit slaat haar arm om mij heen en samenervaren we de verandering. Het onderhuidse verderf valt weg, de geurenverdwijnen in de blauwe lucht, de geluiden klinken gedempt. De patronen vangekleurde heksendrankjes veranderen in golfjes kleurenkunst. Euforie maakt zichmeester van ons stukje straat. Een jongetje met stompjes in plaats van benenrijdt ons in razende vaart op een skateboard voorbij en werpt een trotse blikopzij. Een geïmproviseerde rolstoel. We genieten verstild van zijn vernuft enzijn plezier. De bruja leest op zachte toon mijn hand en voorspelt meeen woelig leven, vol geluk, vol tegenspoed ook. Hoewel soms beangstigend,vervullen haar verhalen mij met verhoogde gelukzaligheid. Ik lééf! De toekomstis voor morgen.

De brujarekent met ons af en pakt haar spullen in. Wij zweven tijden verder tussenheksen, poncho’s en westerse neo-hippies in een magische, kleurige wereld waaralles klopt, een wereld alleen voor ons gemaakt. Op het moment dat een rat overCarmits voeten rent, staart ze naar haar voeten, alsof ze verbaasd is dat ze ernog zijn. Door de roes sijpelt het besef van naïviteit. Ook blijken we meer danzeventig dollar betaald te hebben voor een roes en een niet onverdeeld mooietoekomst. Geshockeerd staren we elkaar wat weifelend aan.

Eenoprisping thee borrelt omhoog. Bevrijd proesten we de laatste resten chemischebetovering uit en lopen schaterlachend, arm in arm de markt af, de straat op ende wereld in.

Mirjam

De Wereldworstconferentie II

“Stil ja, dat dacht ik wel Edje!” Ik hang vlug op. Diezit niet prettig op z’n stinkende stoel in Zwolle. Straks bel ik De Baas, dan ligt Edjeeruit voor ik terug ben. Eindelijk weg godverdomme, dat vod.

Ik neem snel afscheid van m’n vrienden. “Jaja ik ben zo bij de bar!”Ik wil even alleen genieten van deze overwinning. M’n kamer is mooi ennetjes, fijn groot bed. Hoe zouden dehoeren hier zijn? Altijd genoeg hoeren op de WWC, ik heb nog nooit een Noorsegehad, zo eens kijken wat er rondstuitert in de lobby.

De minibar staat vol Norskbier, smaakt best, goed bierbetekent goede hoeren. M’nmobiel gaat, het is Edje, ik neem lekker niet op, laat ‘m maar zweten en vieswezen. Ik bel De Baas als ik dronken met een hoer in bed lig, ha, da’s leuk. Nusnel naar de bar, iedereen wacht. M’n hippe broek aan en m’n nieuwe shirt,heeft m’n vrouw me meegegeven, straks veeg ik er m’n lul mee af. Ik neem denep-sample van de Zaanse Kaasworst mee. Otto zeurt al maanden om het recept, hijdenkt echt dat ik het ‘m ga geven. De jongens van het lab hebben er visvoer in verwerkt, enweet ik wat nog meer, dat zal Otto leren met z’n gezeik. We zijn al een jaarbezig met de ontwikkeling, we gaan zelf de Duitse markt op, niks licenties!

Het is al flink druk bij de bar, Gelim kiepert het enebier na het andere in z’n bek, die gaat me zo alles vertellen over de zureGden. Een paarmeisjes hangen aan een tafeltje in de hoek, de hoeren, lange meiden met wildblond haar, mooi zeg.

“Tom!” “Otto, vriend!” “Is dat de..?” Hij houdt z’n adem in, kan geenwoord meer uitbrengen. “Ja Otto, de Zaanse Kaasworst, sampeltje nog hoor,prototype, hier!” Hij kijkt dolblij uit z’n domme oogjes, lijkt wel te knorrenvan plezier, net een varkentje. Hijruikt aan de worst, snuift de geur diep op. “Dankjewel Tom, jullie krijgen deKölner Weiβwurst, echt waar!” Die gore stinkworst hoeven wij helemaal niet. “GeweldigOtto, wil je proeven?” Hijlegt de worst op de bar alsof het een goudstaaf is, heel voorzichtig snijdt ‘ieeen stukje af en proeft. “Godverdomme!!”Kut! Heeft ‘ie het nu al door? “Dat is een lekkere worst!” Mooi mooi…

Tycho

Tussentaal

Nina vraagt of ik haar wil pomagati met de zadaća.Natuurlijk wil ik haar helpen met haar huiswerk, maar dan moet ik wel eerstmijn Cyrillisch even afstoffen.

Mijn kinderen spreken onderling Bosnisch. Geen Hollandswoordje krijgt binnen hun conversatie een voet tussen de deur, nog geen teen.Ze spiegelen hun halve oorsprong aan elkaar om zo tot één perfect gesprokentaal te komen. Als ze zich vervolgens tot mij richten is dat niet in evenperfect Nederlands. Ze gaan voor gemak; plakken Bosnische woorden in Hollandsezinconstructies. Vooral werkwoorden en zelfstandige naamwoorden raken ze kwijtin de omschakeling tussen vader- en moedertaal. Overigens, andersom komt ookveelvuldig voor: Nederlandse termen in Bosnische zinnen. Het is maar net hoe depet staat.

Er ontstaan ook geheel nieuwe woorden. Samenvoegingen vanNederlandse werkwoorden met Bosnische uitgangen. Bijvoorbeeld despiksplinternieuwe werkwoorden knuffelovati (knuffelen), spelovati(spelen) en eti, deze laatste met hulp van baka (oma) die ons “eten”met dichterlijke vrijheid vervormde ooit. Dat het hier allemaal om werkwoordengaat die uitdrukking geven aan de eerste levensbehoeften bewijst dat ze denkenhun moeder met compromissen te moeten blijven paaien.

Voor Duka en Nina wordt Nederlands steeds meer eenuitstapje. Een klein dagelijks excursietje en dan steeds korter de bus uit.Alsof ze aan elastieken terugschieten naar binnen, de landstaal in. Onder mijnogen zie ik ze verbalkanezen.

Ach, ik maak me er niet echt druk over. Ik zie deze haspelfasevooral als een handvat om ze deschoonheid en de charme van meertaligheid middels onbekommerd plezier te latenervaren. En ook al moeten we ooit waarschijnlijk hun Nederlands gaanrechtbreien dan is later vroeg genoeg. Tot dan spreken wij samen wel viertalen: Hollandski, Bosanski, Dukanski en Ninanski..

Over mijn Bosnisch zullen we het nu maar niet hebben.

Anne

Boombinding

De Turkse tortel met zijn ranke lijf draagt vliegend zijnstukjes tak naar een fragiele iep aan de rand van de boomgaard. Heen en weer.Heen en weer. Zijn intieme geluid klinkt schor en helder tegelijk op als hijeven pauzeert. In contrast met de continuo basso van de provinciale weg.Brommerig, sonoor. Op mijn schrijfboekje mengen de koffievlekken zich metzonlicht.

De schommel die nog altijd aan een van de appelbomen hangtwiegt zacht heen en weer. Bovenin zijn de vergroende touwen verdwenen onder eendikke laag mos. Eén met de dikke tak. Ik ga zitten op het plankje en sla mijnarmen om het touw, ruw en rasperig gevoel. Steek mijn benen naar voren.

Een snerpende sirene snijdt in mijn oren. Mijnschriksiddering brengt via de schommel wat takken in beweging.
Och, de eerste van de maand. Niets aan de hand. Devogelgeluiden die even verdwenen waren keren langzaam terug. Kinderstemmen alsfluitjes op de dijk. De dorpsschool gaat uit. Mijn oog valt op het wittigekoord dat in een schuine lijn langs een appelstam verderop hangt. De wind heefter als finishing touch een schapenpluis aan gehangen. In gedachten zieik de hangmat weer waarin mijn kleindochter en ik samen lagen te neuriën – vervan de wereld -weggevouwen in die grote veilige bananenschil. Met het koord konik ons wiegen.
We dommelden snel in. Al bleef ik de geluiden op afstandhoren. Een dier dat waakt over haar jong.

Groene toefjes blad doen een schuchtere poging demonumentale bomen frivoler te maken. Ze doorbreken de stoerheid amper. Dereuzen sluimeren door en voelen zich hoogstens gekieteld. Een pimpelmeesjeverlost druk trillend vlakbij mijn hoofd een boom van het laatste rotteappeltje. Onze enige pruimenboom toont als eerste bedeesd de voorjaarslingerie.

Een chagrijnige haan in de verte zeurt dat het echt nog geenzomer is…

Pally

Strandbloempje

Ze ziet hem. Hij haar niet.
Dat is niet erg. Alles liever dan gezien worden.
Ze heeft haar armen om de knieën geslagen. Zo blijfthaar bovenstukje verborgen. Dit jaar draagt ze dat voor het eerst. Niet dat erveel te verbergen valt. Ze zou wel willen wegzinken in het DonaldDuck-strandlaken dat ineens veel te kinderachtig is.

Als hij achter de bal aan rent, stuift er zand op,zodat het lijkt alsof hij op wolken loopt. De manier waarop zijn spieren zichspannen, doet iets met haar buik. Een honger die ze niet begrijpt. Zouden diemeiden dat nou ook hebben? Ze pakken de bal af, lopen treiterend heupwiegendweg, zetten een sprint in als hij ze eindelijk achterna komt, gillen ‘neeee’,maar bedoelen ja. Dat aanstellen. Ze haat het. En hij? Hij lacht zijn wittetanden bloot en houdt de veroverde bal hoog, zoals ze wel eens een voetballerop tv heeft zien doen.

Nu is hij vlakbij. Ze houdt de adem in, gluurt door haarwimpers. Hij draait zich alweer om. Gelukkig. Zijn bezwete lijf. Een rillinggaat over haar ruggengraat naar beneden, ver naar beneden. Ze is al twee keerongesteld geweest. Dit is anders. Dit is nieuw.

Ze leest wat in het boekje dat zij van haar moederheeft geleend. ‘Als hartstocht bloeit’. Op de omslag kijken een vrouw en eenman elkaar diep in de ogen.

Hij. Zij. Met haar ogen dicht ziet ze hoe hijhaar herkent. Hij zou haar ontvoeren naar een verlaten bocht. Hij zou haarneerleggen in de schaduw van een palmboom. En dan? Hij zou het haar vertellen,met zijn ogen, in het licht van de ondergaande zon.

De bal schampt haar. ‘Au!’ roept ze. Het boekje is uit haarhanden gevallen. Ze wil het oprapen als er een schaduw op valt. Ze kijkt op. Dezon tovert een aureool om de vorm.
‘Heb je je pijn gedaan?’ Zijn stem. Oprechtebezorgdheid. Op de achtergrond zijn de meiden stil gevallen, wachten met dehanden in de zij af.
‘Gaat wel,’ stottert ze. Hij doet een stapopzij. Nu kan ze zijn gezicht beter zien. Zwarte krulletjes. Guitige bruineogen. Zweetdruppeltjes. Hij lacht naar haar. Geen gemene lach, zoals die van dejongens op school. Ze heeft ineens overal kippenvel.
‘Hoe heet je?’ Hij vraagt haar iets! Ze giechelt. Zekan er niets aan doen.
‘Hoe heet je?’ Nog eens. Hij knielt neer, zoekt haar ogen.Ze moet wegkijken. Ze moet zich nog kleiner maken, omklemt haar knieën alsofhaar leven ervan afhangt.
‘Veronica,’ zegt ze tegen het zand.
‘Da’s een prachtige naam,’ zegt hij. ‘Sorry,Veronica, ik zal het nooit meer doen.’ Weer die lach. Naar haar.
‘Dag Veronica.’
Hij staat op. Ze ziet hoe zijn kuitspieren zichspannen.
‘Dag,’ zegt ze.
Ze is nog nooit zo gelukkig geweest.

Ep Meijer

Vertraging

Haast had ik. In de winkel waar de stoffige uitstallingachter de degelijke houten balies uit kale karigheid bestond was het druk. Ikwrong me naar voren en buiten adem legde ik mijn vraag dan eindelijk op detoonbank.
Ze hadden ze niet.

Terugstomen dus maar weer, naar de deur. Daar werd mij deweg versperd door een meisje in de opening. Ze stond al half buiten maar hieldhet handvat nog vast en trok de deur langzaam dicht. De mogelijkheid dat eriemand in haar kielzog mee naar buiten zou stappen leek niet in haar op tekomen. Om haar heen was de lucht dikker dan elders. Ik greep de klink en begonte trekken.
Verdwaasd keek het meisje op, om zich heen eigenlijk, alsofze de oorzaak van het vreemde stokken overal vermoedde, en trof mij als bijtoeval. Ze liet los en stapte helemaal naar buiten.

Ik trok de deur tot net passeerbare wijdte open, wrongmezelf er doorheen en grijnsde mijn domme lachje. Ze lachte niet terug.

Nog twee winkels probeerde ik, en toen ik de derde op rijbinnenging stuitte ik opnieuw op vertraging. Hetzelfde meisje stond aan debalie. Dit winkeltje was piepklein, meer klanten dan wij samen kon de ruimteniet aan.

Op de glazen toonbank tussen haar en de struise verkoopsterdaarachter lag een schriftje. Weifelend streek ze over de kleurige kaft. Haarverlangen betrof misschien een andere versie van hetzelfde boekje want zevroeg:
“Wanneer krijgen jullie die weer?”

De verkoopster antwoordde dat ze dat écht niet wist.Vasthoudend was het meisje, want ze stelde nog een vraag. Of zij wist waar zeze dan wél hadden?

Opnieuw geen idee, en het geduld was nu ook op. Terwijl deverkoopster haar vragende blik resoluut naar mij verlegde liep het meisjelangzaam naar de deur, trok open, stapte naar buiten en begon weer netjesachter zich te sluiten. Mijn korte vraag kreeg echter een nog korter antwoordzodat mijn vertrek slechts een paar seconden verschilde van dat van het meisje.Met grote stappen beende ik naar de uitgang en greep de klink vast. Door hetglas zag ik haar achterhoofd.

En toen liet ik los. Met de handen langszij keek ik toe hoezij de deur in het slot trok. Pas nadat ze helemaal weg was ging ik zelf naarbuiten. Ik had ineens geen haast meer.

Anne

De Wereldworstconferentie

Godverdomme, Edje met z’n gezeik! Doet alles om me dwars te zitten met z’n papiertjes en z’n stempeltjes, meneer de boekhouder. Koppijn krijg ik van ‘m, ik zou z’n strot door moeten snijden!. Blij da’k er even uit kan, naar de Wereldworstconferentie. Fraai spandoek op het hotel: “Welcome to the 20th Worldsaucage conference.”  Nu niet meer aan Edje denken, weg die papieren, naar binnen!
Ze zijn er allemaal! Enrigue uit Cuba van Guzila Embuchado, Gelim uit Polen van Polska Worstka, Tim uit Amerika van Boston Sauce & Saucage, Nolov uit IJsland van Islender Djurker, en natuurlijk Otto van Die Bayern Stutzel, al m’n oude vrienden! We begroeten mekaar in de foyer van het hotel, schudden handen en slaan op schouders. De wereld van de worst is klein, maar ik ben blij da’k erbij hoor!
M’n tiende wereldworstconferentie, Nolov feliciteert me, de enige die langer meeloopt dan ik. Ze hebben geen grote fabriek daar op dat koude eiland, maar de milde Islander Krun wordt wereldwijd gewaardeerd. Natuurlijk is ‘ie mild, die drie koeien van ze grazen op de gletsjer, dat gras is verser dan vers. Hij zanikt over een nieuw gekloonde koesoort waar ze de worst zo af kunnen schrapen. Als de consument dat eens wist! Maar volgens de worstmakers-gedragscode mogen we niet over mekaars technieken aan de buitenwereld berichten, ik wil ook liever niet dat de consument teveel weet van m’n worst.
Gelim schreeuwt in m’n oor over z’n Polska Worstka Gden, een succesnummer in Oost-Europa, export tot in Letland. Kutmarkt is dat, hebben we een keer geprobeerd met de Brabantse Beer. Geen cent verdiend, die lui willen alleen zure Russische worst, nu kennelijk ook Poolse. Ik vraag Gelim naar de zuurgraad van de Gden, hij lacht geheimzinnig. Die zak krijg ik wel aan het praten, vanavond bij het bier! Als we vanuit Letland met een zure Zeeuwse Druiler de Baltic kunnen doen, is het misschien een nieuwe poging waard.
Tim complimenteert me met m’n nieuwste worst, de Veluwse Dunne. Godverdomme, hebben ze die in Boston? Daar exporteren wij de Veluwse Dunne helemaal niet heen. Da’s Edje’s werk! Hij is zeker weer een containertje ‘kwijtgeraakt’! ’t Zal niet de eerste keer wezen, eerder lag de Friese Slootworst  al eens in de schappen in Spanje voor we een contract hadden met Super-Ermercado. Toen kwam Edje weg met een kletsverhaal, dat gaat ‘m nu niet lukken,  ik heb ‘m te grazen! M’n mobiel, ik bel, gaat over… “Met Edward?” “Ja Edje,.. Boston!” Stilte, aan de andere kant.

Tycho

Blind kienen

‘Lozekampsteeg nummer 2,’ zegt Minke, de centraliste.

Het is weer zover. Ewoud, van wie ik niet weet of hetzijn voor- of achternaam is, alleen dat iedereen hem zo noemt en dat hij eenongelooflijk stuk chagrijn is, wil erop uit.

Ewoud draagt eeuwig en altijd een donkergrijspak en een donkerblauwe stropdas met, nauwelijks herkenbaar nog, eengoudmotief. Ewoud heeft vier stompjes van voortanden en hij ruikt naarmottenballen. Soms brengen we hem naar Theo’s, zijn stamkroeg, hemelsbreed noggeen honderd meter verderop. Veel vaker echter gaat Ewoud naar het Patronaat,om er, als een haan in een hoenderhok, samen met tientallen oude besjes aanlange tafels te kienen. Met een wijsvinger druk ik op de rode knop van demobilofoon. ‘Lozekampsteeg 2,’ herhaal ik, ‘okay.’

De Lozekampsteeg is een kronkelend zandpad vol verraderlijkekuilen. Helemaal aan het eind, in een vervallen boerderijtje, woont Ewoud. Het is er merkwaardig stil en pikkedonker. Een zwart gat binnen de bebouwde kom. Logisch, Ewoud kan niets zien en moet dus in de wagen geholpenworden. En na afloop er weer uit, helemaal het Patronaat of het café in. Hij ismet zijn minstens 120 kilo al een paar keer op mijn tenen gaan staan, want deroodwitte wandelstok die Ewoud wild voor zich uit zwaait is slechts alswaarschuwing voor anderen bedoeld.

Vandaag gaat de reis naar het Patronaat. Debewolking ontneemt ieder zicht op de sterren en een gele ballon waart rond opeen halve meter boven het asfalt. Een souvenir van carnaval. Nog niet zo lang geleden maakte de ballon deel uit van een trosje. Rood, geel, groen. De kleuren van reggae ook, bedenk ik me. Ewoud vraagt of ik een vriendin voor hemweet.
‘Ik zit zelf zonder,’ antwoord ik.

Op de terugweg rijd ik hem weer. Hij heeft niets gewonnen,nee.
‘Natuurlijk niet,’ moppert hij, ‘als je voor een dubbeltjegeboren bent, word je nooit een kwartje.’
‘Ach,’ probeer ik, ‘het gaat om het spel en niet om deknikkers. Toch?’
‘Hoe kom je erbij?’ briest hij. ‘Ik wil winnen omdat ik meanders helemaal te pletter verveel, alleen in het donker. Want eigenlijk is heteen straf om tussen al die kakelende wijven te moeten zitten.’
‘Hoe doet u dat eigenlijk,’ vraag ik, ‘kienen zonder iets tezien?’
Ewoud staart met lege ogen naar de voorruit, waarin alleenik zijn spiegelbeeld ontdek.
‘Blind,’ zucht hij, ‘ik kien blind.’

Ep Meijer

Lente

Eén glaasje wijn van deAldi, op tijd in bed, uitstekend geslapen. Bakje Cruesli met magere yoghurt enhoning. Niemand die me wakker praat. Vitaminepil en omega 3-capsule. Rondjerennen over de dijk. Warme douche met overdadig badschuim. In de spiegel eenGod van Middelbare Leeftijd. De dag kan beginnen, de lente trouwens ook.

Maar de ochtendmens heefteen slecht gevoel voor timing. Net een suikeroom op een kinderverjaardag.Stormt als eerste binnen met het mooiste en grootste geschenk. De rest van dedag gaat tegenvallen.

Alle begin is mooi enmaagdelijk, maar de tand des tijds heeft een gemene beet. Het displayglaasjevan je nieuwe mobiel, je Indische vriendinnetje, een nestje kittens of de geur van vers brood. Hoe langer je wacht,hoe minder het wordt.

Zo ook deze rimpellozemorgen. Nog heel eventjes en de rest van de dag neemt het initiatief over.Welkom, alledaags ongemak. De suiker op, telefoontje van een kennis die zicheen vriend waant, jeuk aan de binnenste binnenkant van je knie, bezetene meteen elektrische heggenschaar, mierenmarsje op het aanrecht.

Toen ik nog nachtbraaktebegon elke dag in de min. Maar de vooruitzichten waren altijd beter. Wat wasalles toch relatief.

Ik verlang naar slechteretijden.

Benz

Rul

Sprookjes zijn sporen die zich niet laten wissen.

Het huis in Sarajevo was doortrokken van verleden; met onzekomst kwam daar het heden bij. Ooit was het langgerekte, naar Turkse traditiegebouwde pand één familiehuis. Later werd het in drieën opgedeeld, en sinds eenjaar was het in tweeën. Als nou ook de buren hun stuk op een dag aan ons zoudenverkopen dan was het hele huis opnieuw terug bij af. Klaar voor onze start.

De veranderingen gingen met kleine stapjes. Wij verbleven inhet oude gedeelte aan de ene kant, onze buren waren aan ons vastgeplakt aan hetandere uiteinde, en het uitgeleefde stuk in het midden dat opnieuw infamiliehanden was – die van mijn vriend – ging nu worden opgeknapt.

Er was al veel gedaan, maar er moest nog vele malen meergebeuren. Die winter werden de binnenwanden helemaal tot de kale stenen schoongebikt, en het plafond recht erboven weg gesloopt. Het puin werd in vele rondesmet de gammele kruiwagen de tuin ingereden. Daar kreeg de ophoging die mijnvriend beoogde, gestaag vorm.

Tussen het puin was het fijn neuzen voor een jutter als ik.Prachtige glazen flessen, volgeschreven schriftjes van ver voor Tito, oude,ongebakken bakstenen, die langzaam in hun oorsprong terugvielen, en verder eenheleboel echte onvervalste rotzooi. Ik zag de lente verlangend tegemoet, wantmet het ruller worden van de hoop werd graven steeds gemakkelijker.

Toen alle sneeuw verdwenen was om voorlopig niet meer terugte komen vond ik ze. Zwarte schoenen waarvan ik me niet eens afvroeg of ze voormannen- of vrouwenvoeten bedoeld waren. Ze waren móóói. De viezigheid dacht iker gewoon vanaf, hun verleden, hun vindplaats en hun toekomstige eerherstelmaakten mij euforisch van voorpret. Lopen op verhalen zou ik, fijner nog danvliegen.

Met de nodige krachtinspanning onderdrukte ik mijn walgingtijdens het schoon maken. Tientallen jaren toegewijde verwaarlozing hadden zeniet onberoerd gelaten. Maar het lukte en na een dag werk had ik twee nieuweschoenen; de schimmellittekens getuigden juist van karakter. In de zon stondenze te drogen.

Vol verwachting voelde ik met mijn vingers in hun binnensteof ze al beloopbaar waren. Ja. Ik zette ze plechtig voor mij op de grond enstak mijn linker kousevoet er als eerste in. Verder dan een krappe centimeterkwam ik niet.

Mijn nieuwe schoenen waren mij ruim drie maten te klein.

Anne